PATHOLOGISCH GEDRAG

Pathologisch gedrag is abnormaal en afwijkend gedrag dat storend is in de relatie van een persoon met zichzelf, de ander en zijn of haar omgeving en dat extreem en/of dwangmatig is.

Bij ouderverstoting kan sprake zijn van pathologisch gedrag. Het verloren kind heeft bij ouderverstoting de eigen identiteit en meningsvorming opgegeven voor het belang van één ouder. Die ouder is emotioneel niet beschikbaar geweest voor het kind, niet in staat geweest zich te verplaatsen in de beleving en de behoeften van het kind, dat een eigen persoontje is en moet kunnen zijn. Er was geen ruimte voor de eigen gevoelens van het kind. Het kind heeft er voor een gezonde ontwikkeling recht op om zichzelf te mogen verhouden tot zijn of haar eigen vader en moeder en ieder ander. Er was ook onvoldoende empathie voor het leed van de andere ouder die het contact met het eigen kind is verloren, terwijl dit de partner is waarmee deze ouder, zoals in zijn algemeenheid wordt aangenomen, een intieme relatie heeft gehad. Deze ouder is in staat geweest zich extreem en dwangmatig in te zetten om het kind van zichzelf en van de andere ouder te vervreemden. Zulk gedrag is onder meer kenmerkend voor persoonlijkheidsproblematiek zoals narcisme, psychopathie of borderline. Hoewel er belangrijke (gedrags-) verschillen zijn tussen deze stoornissen, betreft het in de kern steeds vroegkinderlijke hechtingsproblematiek die zich in het heden onder andere uit in innerlijke leegte, een gebrek aan inlevingsvermogen in anderen en wantrouwen. Bij dergelijke problematiek staat bij mensen uitsluitend de zelfbescherming en daarmee het eigen belang voorop en verplaatst men zich niet in het belang van het kind en de andere ouder. Hun belangen worden niet gezien!

Een gespecialiseerde psychiater of klinisch psycholoog kan een diagnose stellen. Een diagnose is niet altijd mogelijk. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van pathologisch gedrag zonder dat er een volledige persoonlijkheidsstoornis kan worden vastgesteld. Het is bovendien typerend voor deze problematiek om psychodiagnostiek en psychologische hulp te vermijden of om professionals te proberen te misleiden. Dit kan gebeuren vanuit wantrouwen, of bijvoorbeeld vanuit de overtuiging dat met hen niets aan de hand is maar wel met de ander (externalisatie). Voor het kind, de ouders en andere betrokkenen is het hoe dan ook van belang om in het dagelijks leven de pathologische gedrags- en communicatiepatronen zo vroeg mogelijk te herkennen en te weten wat dan te doen. Hieronder volgen een paar handreikingen. De informatie dient niet om een diagnose te stellen maar om feitelijk gedrag zichtbaar te maken. Voor het verloren kind is allereerst van belang wat een ouder feitelijk doet, niet of daar een naam of een etiket op past.

Achter elk gedrag ligt een belang

Iemand die niet in staat is tot empathie en niet weet, of wantrouwt, wat anderen beweegt, heeft zelf geen krachtige eigen persoonlijkheid kunnen opbouwen in relaties met andere mensen. Om te kunnen functioneren is het nodig om naar buiten toe een beeld te scheppen van een ware persoonlijkheid en het is van levensbelang om dit beeld in stand te houden. Voor de eigen veiligheid is deze persoon afhankelijk van hoe anderen hem of haar zien of beoordelen en daarvoor is in ieder moment controle nodig: in relaties, in het gezin, op het werk en in het sociale leven. Het gedrag en de communicatie zal er uitsluitend op gericht zijn om iedereen – en vaak ook zichzelf – in een gecreëerd beeld te laten geloven, terwijl er geen samenhangende persoonlijkheid achter schuilt. Als het beeld wordt aangevallen of bedreigd, dan kan men in chaos vervallen! Bij een ernstige (emotieregulatie-)stoornis kan dit uitmonden in extreem fysiek geweld.

Het pathologische gedrag van vandaag kan zijn oorsprong hebben in een voorgaande generatie waarin men heeft moeten functioneren na een niet te verwerken trauma door bijvoorbeeld oorlog of ander geweld, of door een eigen trauma op jonge leeftijd. Heeft het kind toen de eigen identiteit moeten opgeven ten behoeve van de veiligheid van een ouder en binnen het gezin, dan kan dit in volgende generaties worden voortgezet. De gezinsverbanden zijn niet gebaseerd op empathie en emotionele veiligheid, maar op wantrouwen, controle en lijfsbehoud. In een volgende generatie zullen dezelfde patronen in gedrag en communicatie door de gezinsleden worden ingezet om zichzelf en elkaar binnen het gezin staande te houden Er ontstaat zo een gesloten gezinssysteem dat zich als perfect functionerend gezin aan de buitenwereld toont.

Is er een nieuwe partner of komt er een kind, dan zullen deze volgens dezelfde principes van controle moeten worden ingelijfd. Er is geen andere referentie dan het eigen beeld en het oorspronkelijke gezin.

Wat is de dwangmatigheid in het pathologische gedrag?

Er is een zekere dwangmatigheid aan te wijzen in het gedrag en de communicatie, die voortkomt uit de noodzaak om controle te houden over het beeld dat die persoon wil uitdragen. Typerend is:

  • De persoon is zeer sterk op de buitenwereld gericht om controle te houden.

  • Om het eigen beeld voor zichzelf en naar de omgeving in stand te kunnen houden, wijst men alles wat goed is aan zichzelf toe en alles wat negatief is aan anderen (externalisatie).

  • Men perfectioneert zo een beeld en een werkelijkheid die uitsluitend refereren aan de persoon zelf en het eigen belang. De persoon gelooft daar zelf meestal zeer sterk in en kan naar derden zeer overtuigend overkomen.

  • Iemand die zich niet in anderen kan verplaatsen en controle nodig heeft, zal in het moment zelf moeten bepalen welk gedrag en welke communicatie op dat moment het eigen belang dienen. Gedrag en communicatie kunnen dus wisselend en onvoorspelbaar zijn.

  • Om te weten wat in het moment wenselijk is terwijl inlevingsvermogen ontbreekt, zal men putten uit gedrag en woorden van anderen. Eigen inhoudelijke inbreng is beperkt of oppervlakkig.

  • Deze persoon heeft altijd een ander nodig om zich aan te spiegelen of tegen af te zetten, zoals de partner, ex-partner, of andere partijen in de scheiding.

  • Iemand die zich voor de eigen veiligheid steeds moet kunnen aanpassen aan wat in een situatie wenselijk is, geeft nooit een concreet antwoord of zal zich nooit binden aan vaste afspraken.

 

Gedrag en communicatie zijn gericht op controle: van de partner/ouder, het kind, binnen het gezin én op de omgeving

Waar iedereen normaal gesproken uitgaat van wederzijdse communicatie, is de communicatie vanuit deze pathologie niet wederzijds, maar heeft een doel. In gedrag is de persoon óf dominant stellig óf slachtoffer. Zo iemand kan zelfs in huilen uitbarsten als dit functioneel is, maar volwassen wederzijds contact waarin men kan reflecteren op een eigen aandeel, komt niet tot stand.

Het eerste doel is om ook na scheiding controle te houden over de andere ouder en het kind, zodat deze naar de omgeving een beeld van de perfecte ouder in stand zullen houden.

Een belangrijk middel in de richting van de andere ouder is gaslighting. Bij gaslighting verdraait iemand de waarheid om zo een ander steeds meer aan zichzelf te laten twijfelen. Dit geeft macht: Hoe onzekerder het slachtoffer wordt, hoe meer hij of zij vertrouwt op en afhankelijk wordt van de gaslighter (slachtofferwijzer.nl). In veel gevallen zal dat al tijdens de relatie zijn ingezet. Gaslighting kan allerlei vormen aannemen. De partner wordt of is eerst verleid om te geloven in een wederzijdse verbinding en is uitgenodigd om in alle openheid te investeren in de relatie. Na de verleiding volgt verwarring, door discrepanties in wat de verstotende ouder zegt en wat deze doet. Dat kan al tijdens de relatie beginnen of pas rond de scheiding. Woorden worden overgenomen als waren ze van de verstotende partner/ouder zelf en deze eigen woorden worden vervolgens tegen de ander ingezet en gebruikt; er volgen onverwachts grillige woede-uitbarstingen; men wordt verleid en daarna afgewezen; men wordt afwisselend geïdealiseerd en gedevalueerd met leugens en onder dreiging, soms met gebruik van het kind; men wordt geïsoleerd en financieel afhankelijk gemaakt; men verliest wilskracht. De partner/ouder destabiliseert zodanig dat die niet meer op zichzelf en de eigen waarneming vertrouwt, maar gericht raakt op die van de persoon met het pathologische gedrag. Op vergelijkbare wijze worden kinderen in verwarring gebracht en binnen het gezin ingezet tegen de ouder en tegen de andere kinderen. Het zelfvervreemdende effect is voor én het kind én de doelwit-ouder uitputtend. Het wordt vaak pas laat herkend.

Bij scheiding ontstaat het gevaar van ontmaskering: er is geen controle meer over de ex-partner en deze kan het beeld van een goede ouder (en ook van een goede opa of oma) in de buitenwereld vernietigen en zal dus moeten worden bestreden. Er is controle als de buitenwereld gelooft dat de ouder met pathologisch gedrag een goede ouder is (masker), het kind het geweldig heeft bij deze ouder en de andere ouder slecht is.

Om een ouder te zijn, heeft men een kind nodig. Om een uitstekende ouder te zijn, heeft men een kind nodig dat hem of haar bewondert.

Om niet door de mand te vallen, is het nodig dat het kind de mond houdt en de eigen meningsvorming opgeeft en dat het beschikbaar is voor de ouder om de andere ouder buiten spel te zetten.

Waar eerst de partner voor de ouder met pathologie een referentie was in de keuze van zijn of haar gedrag en communicatie, zal er nu referentie nodig zijn van derden; dat is een noodzaak om zichzelf in stand te houden. Advocaten, jeugdwerkers en andere hulpverleners kunnen worden ingezet om die rol te vervullen. Het vraagt kennis, ervaring en zelfbewustzijn om niet te worden ingezet.

Welke gedrags- en communicatiepatronen herhalen zich waardoor ook iedere derde in de war kan worden gebracht?

In gesprekken in het bijzijn van derden zien we de volgende patronen:

  • Framen/dominant stellen

Een halve leugen wordt ingezet alsof het waarheid is. Er wordt uitgebreid op voortgeborduurd tot iedereen in de gestelde ‘waarheid’ meegaat en dit als uitgangspunt neemt voor het vervolg.

  • Niet aanspreekbaar zijn/misleiden/verwarren

Bij een concrete vraag wordt van het onderwerp afgeleid door omstandig een bijzaak uit te leggen, er irrelevante zaken bij te halen (verwarren) en uiteindelijk de ander of de andere ouder als schuldig te benoemen en zichzelf als slachtoffer. Er wordt geen antwoord gegeven op de oorspronkelijke vraag (de persoon heeft hiervoor informatie nodig of vindt een antwoord bedreigend voor het eigen beeld en leidt daarom de aandacht af van zijn of haar persoon). Veelal zijn derden zodanig misleid dat zij geen antwoord op de oorspronkelijke vraag meer wensen van, in deze, de verstotende ouder en/of zich richten tot de andere ouder die dan antwoord moet geven, ook als deze zelf de oorspronkelijke vraag heeft gesteld. De persoon kan zich ook simpelweg stilhouden en wachten tot een ander het antwoord geeft.

  • Gebruik maken en overnemen van woorden

De informatie en woorden van derden en/of de andere ouder overnemen en gebruiken om aan te sluiten bij de ‘macht’. De persoon zegt sociaal wenselijke dingen die lijken te passen bij wat anderen nodig of belangrijk vinden, maar het zijn alleen maar woorden waar (bijvoorbeeld bij doorvragen of bij open vragen) geen eigen ideeën of gedachten achter zitten. Voorbeeld: ‘dat hij andere kinderen slaat, komt door de scheiding en dat er ruzie is. Ik vind dat we moeten overleggen.’ Of: ‘ze heeft altijd van die rode billen door die natte luiers. Zij loopt er veel te lang mee rond’, of: ‘ik zit in de ouderraad en school vindt het erg belangrijk dat ouders betrokken zijn’, of: ‘de scheiding is al moeilijk en dat hij zich in de klas niet kan concentreren…hij zit vaak te dromen en ziet er moe uit. Hij heeft van ons allebei aandacht nodig’, of: ‘voor kleine kinderen is het niet goed als ze een ouder lang niet zien, daarom bel ik ook’.

  • Beschuldigen of verwijten met leugens/passieve agressiviteit

Er worden hele en halve onwaarheden de wereld in gebracht om de emoties van de andere ouder te treffen zodat deze reageert. De communicatie is uitsluitend gericht op het diskwalificeren van de ander, terwijl het voor derden zou kunnen lijken dat het over het onderwerp kinderen gaat. Voorbeeld: ‘Ik kan mijn kind geen nieuwe telefoon geven want zijn vader geeft mij te weinig geld en betaalt ook nooit op tijd.’ Wordt er op de ‘leugen’ gereageerd, dan kan bevestigd worden dat de andere ouder in strijd is met de ouder die de onwaarheden inbracht.

  • Triade/verdeel-en-heers

Structureel via derden communiceren en misbruik maken van derden (‘flying monkeys’) om deze tegen de andere ouder op te zetten en deze met elkaar in conflict te brengen. De persoon gaat zelf niet een directe discussie of conflict aan over de onderwerpen die hij of zij in de wereld brengt, maar uit bijvoorbeeld zorgen over de ander bij vrienden, familie of professionals, zoals: ‘Hij wil het kind van mij afpakken’, ‘zij verbergt een drankprobleem’, ‘de nieuwe partner zet hem tegen mij/de kinderen op’. Die derden gaan dan voor de persoon aan het werk door de andere ouder aan te spreken of buiten te sluiten (McGregor & McGregor, The Empathy Trap. Understanding Antisocial Personalities, 2013).

  • Nooit tot concrete afspraken komen of deze vast willen leggen/ondertekenen

Lijkt er overeenstemming te komen, bijvoorbeeld: een ouderschapsplan zal worden ondertekend, dan worden nieuwe onderwerpen en details ingebracht en andere voorwaarden gesteld om een discussie in stand te houden.

  • Discrepanties in woord en gedrag

Wat de ene keer als enorm belangrijk wordt gepresenteerd, kan een volgende keer precies omgekeerd zijn. Iemand doet niet wat hij of zij zegt te gaan doen. Bijvoorbeeld een punt maken van afspraken over een bepaalde vakantieregeling en dan zelf weg zijn op het moment dat het kind bij die ouder zou moeten komen. Of in het bijzijn van professionals het belang van een aangifte onderstrepen en aankondigen dat er aangifte zal worden gedaan tegen de andere ouder en vervolgens om onduidelijke reden geen aangifte te doen. Met de discrepanties geconfronteerd, is iemand vaak ‘vergeten’ wat er eerder is gezegd.

  • Tegenstellingen (lees: strijd) in stand houden

Zegt de één ‘links’, zegt de ander ‘rechts’; precies het tegenovergestelde, ongeacht waar het over gaat of wat er een vorige keer is gezegd.

  • Projecteren

Wat iemand zegt dat de ander doet, doet iemand zelf. Bijvoorbeeld: ‘Jij wil de kinderen van me afpakken’, of: ‘Je zegt elke keer iets anders’, of: ‘Ze zegt dat je haar hebt geslagen.’

  • Structureel gebruik maken van de paradox

De ander wordt in een patstelling (‘double bind’) gezet, waardoor men het nooit goed kan doen en machteloosheid ervaart. De paradox werkt als men emotioneel afhankelijk is. Voorbeeld: Het kind wordt enthousiast gemaakt voor een leuk weekenduitje in de tijd dat het kind volgens de afspraken bij de andere ouder verblijft. Het kind komt bij de andere ouder thuis na de omgang en vertelt enthousiast. Zegt de andere ouder nee, dan is het kind boos op die ouder en zal hem of haar afwijzen. Zegt de ouder ja dan zal het kind, zoals werd beoogd, bij de andere ouder zijn. De dreiging het kind aan een verstotende ouder te kunnen verliezen, roept angst op. Herkent de andere ouder dit structurele patroon dan zal deze ouder het enthousiasme van het kind erkennen en toelaten, en het kind een vraag stellen: ‘Je vader/moeder weet dat je dan hier bent en waarom zou hij/zij dat doen?’ (Kinderen hebben wijsheid.) ‘Ik zal een berichtje sturen dat ik het leuk voor je vind en dat je vader/moeder het kan plannen in de tijd dat je bij hem of haar verblijft.’