HET KIND

Hoe komt een kind zo ver dat hij of zij het contact met een ouder afwijst?

Het kind is van nature op zoek naar wederzijdse verbinding met zijn ene en zijn andere ouder. Kinderen zijn afhankelijk van hun ouders om groot te worden. Vanuit onder meer de basale behoefte aan warmte en geborgenheid zijn kinderen dan ook van nature gericht op o.a. hun ouders.

In een normale ouder-kind relatie sluit de ouder vanaf de geboorte zo goed mogelijk aan bij de behoeftes van het (kwetsbare) kind; de ouder is emotioneel en fysiek beschikbaar voor het kind. Dit draagt onder meer voor een belangrijk deel bij aan het ontwikkelen van een veilige gehechtheidsrelatie. De ouder stemt af op het kind, en sluit aan bij de emoties en behoeften. Het kind ervaart dat er geborgenheid is, dat het gezien en getroost wordt waar nodig. Bij een beschikbare ouder zal een kind erop leren te vertrouwen dat de ouder er is als het kind de ouder nodig heeft. Deze ouder zal zich inzetten voor het belang van het kind waardoor er ruimte ontstaat voor een gezonde (identiteits-) ontwikkeling van het kind.

In de relatie van het kind met een verstotende ouder sluit de ouder structureel niet aan bij de (emotionele) behoefte of de boodschap van het kind zelf. De discrepantie tussen de behoefte van het kind (de eigen impuls) en de wijze waarop de verstotende ouder daarop reageert, maakt dat het kind in de war raakt. Vanuit deze verwarring ontstaat niet het benodigde vertrouwen voor het kind dat het op zichzelf gericht kan en mag zijn om zich te ontwikkelen. Het kind zal logischerwijs gericht blijven op die ouder om de emotionele veiligheid (relatie) te herstellen. De eigen ontwikkeling komt onder druk te staan en het kind wordt, vanuit het verlangen naar emotionele veiligheid en geborgenheid, manipuleerbaar.

Dr. Craig Childress, een Amerikaanse expert op dit gebied, vat kernachtig samen hoe oudervervreemding in de basis werkt:

Het basisprincipe van oudervervreemding

De ouder is er niet voor het kind, maar het kind is er voor de ouder;

Een baby die huilt,omdat hij een vieze luier heeft, krijgt van die ouder de fles;

Een baby die huilt omdat hij honger heeft, krijgt van die ouder een schone luier.

Citaat: Dr. Craig Childress

Oudervervreemding ontstaat niet zomaar door ruziënde ouders. Een ouder die alleen maar slecht spreekt over de andere ouder, is voor het kind niet genoeg reden om de loyaliteit aan die andere ouder op te geven. Het kind vindt het niet fijn als er slecht gesproken wordt over de eigen ouder en zal zich eerder afwenden van de ouder die kwaadspreekt.

Het is heel goed mogelijk dat het kind, als allebei de ouders kwaad blijven spreken over elkaar en na lang touwtrekken over de rug van het kind, ermee akkoord gaat om bij de ene of de andere ouder te wonen. Dan is dat een gedwongen keuze om uit die situatie te komen en dit is iets anders dan dat het kind dit zelf wil. Het kind zal zich in die situatie eerder schuldig voelen dat het een keuze voor één van beide ouders heeft moeten maken. Het kind kiest voor het minst slechte scenario en houdt de natuurlijke behoefte aan contact en om zichzelf tot die andere ouder te kunnen verhouden. Ook als voor dit kind het contact volledig wordt verbroken, dan zal het kind zelf intrinsiek gemotiveerd blijven om later op zoek te gaan naar die andere ouder om de verbinding te herstellen.

Bij huiselijk geweld of kindermishandeling kan het ook voorkomen dat het kind van een ouder die het kind veiligheid wil bieden, steun krijgt in het afwijzen van het contact met de ouder die geweld pleegt.Dan sluit deze ouder wel aan bij de eigen ervaringen van het kind. De ouder haalt het kind voor zijn of haar veiligheid weg van de bron van de mishandeling. Er ontstaat pas oudervervreemding als de beschermende ouder vervolgens onvoldoende ruimte kan bieden aan de binding en de ervaringen die het kind zelf heeft met de mishandelende ouder, bijvoorbeeld door het eigen beeld van die ouder op te dringen aan het kind of door het kind aan te praten dat het die ouder niet meer wil zien. Het kind wordt dan gemanipuleerd om de behoeftes en emoties van de beschermende ouder te volgen in plaats van de eigen behoeftes en gevoelens te leren kennen en respecteren. Deze manipulatie is sterk verbonden met de situatie van de mishandeling of het geweld. In zo’n geval zal de beschermende ouder zijn of haar gedrag kunnen aanpassen als hem of haar duidelijk wordt wat de gevolgen zijn voor het kind.

Hoe manipuleert de verstotende ouder het kind?

Het kind dat wordt vervreemd van een ouder zonder dat er direct sprake is van fysiek geweld, heeft te maken met een ouder die structureel verschillende manipulaties gebruikt, waardoor het kind in verwarring raakt en aan zichzelf gaat twijfelen, zoals:

  1. het kind charmeren en verleiden
  2. het kind aanhalen en afstoten
  3. het kind meningen opdringen met stellige en normatieve uitspraken
  4. het kind negeren of afwijzen
  5. het kind bewust niet geven wat het nodig heeft
  6. niet-congruent reageren op het kind
  7. het kind niet-congruent straffen en belonen (passief agressief)
  8. het kind tegen broer of zus opzetten (verdeel-en-heers)
  9. het kind tegen de andere ouder opzetten
  10. het kind gebruiken als boodschapper naar de andere ouder

Deze vorm van manipulatie van het kind verloopt niet alleen via taal, maar ook door intonaties in het stemgebruik en de lichaamshouding. Het heel jonge kind is nog erg afhankelijk van zijn zintuigen en is hier extra gevoelig voor. Dit geeft ook het belang aan om zowel als ouder als professional zo vroeg mogelijk te weten wat het kind overkomt en wat te doen.

Een aantal praktijkvoorbeelden:

De verstotende ouder vraagt aan het kind: ‘Vind je spruitjes lekker?’ Het kind zegt: ‘Nee’
Na een uur zegt de ouder: ‘We eten vandaag spruitjes, want dat vind jij lekker’.
‘Ja, maar…. ‘
‘Je zegt net zelf dat je het lekker vindt, dus ik maak dit speciaal voor jou’.

De ene keer het kind prijzen voor iets wat het doet en de volgende keer boos worden als het kind hetzelfde doet.

Het kind direct laten douchen en omkleden als het bij die ouder is.

‘Heb je het leuk gehad bij je vader/moeder?’ Het kind vertelt enthousiast. De verstotende ouder reageert zuur: ‘Oh’. De boodschap aan het kind is dat de verstotende ouder het niet leuk vindt als het kind het leuk heeft bij de andere ouder.

Het kind wordt apart genomen of op schoot gezet en weg bij broer of zus: ‘Zo, ik zal jou eens even vertellen wat ik vind.

Het kind wordt uitgehoord. Het kind mag na het eten niet van tafel tot het alles over de andere ouder heeft verteld (= de verstotende ouder heeft informatie nodig om tegen de ouder in te zetten).

Het ene kind is prins of prinsesje en krijgt prachtige cadeaus. Het andere kind wordt gedenigreerd, buitengesloten en krijgt iets onbenulligs. Terug bij de andere ouder willen beiden de andere ouder claimen. De andere ouder is bang het prinsenkind te verliezen, want ervaart dat eraan getrokken wordt, en haalt het kind naar zich toe. Het gedenigreerde kind is dan boos op het prinsenkind en de andere ouder. Als de andere ouder deze sterke emoties niet weet te overstijgen zal hij of zij het boze kind straffen voor het gedrag en het daarmee afwijzen. Het gedenigreerde kind ervaart nu afwijzing van beide ouders, en beide kinderen staan tegenover elkaar. De verstotende ouder kan nu bij derden aangeven: “De kinderen maken bij de andere ouder altijd ruzie en bij mij, de verstotende ouder, nooit. Zie je wel hoe geweldig de kinderen het bij mij hebben en hoe slecht de andere ouder is?”

De verstotende ouder benadert het kind veelvuldig via de telefoon of de app in de tijd dat het kind bij de andere ouder verblijft. De aandacht van het kind is dan bij de verstotende ouder. Het versterkt de angst van de andere ouder om het kind aan de verstotende ouder te kunnen verliezen. Intussen stuurt hij of zij talrijke mails of apps met vragen naar de andere ouder, zodat ook deze uitsluitend gericht blijft op de verstotende ouder.

Het kind geeft een hulpverlener informatie. De informatie van het kind moet transparant gedeeld worden met allebei de ouders. De verstotende ouder hoort het kind uit en zet de informatie in tegen de andere ouder en om het kind te beïnvloeden. Vertelt het kind bijvoorbeeld dat het de ‘kamer bij de (vervreemdende) ouder niet leuk vindt’ kan een vervreemdende ouder tegen het kind zeggen dat het wordt weggehaald bij de ouders als de hulpverleners denken dat het kind het niet leuk heeft bij zijn of haar ouders. Naar hulpverlening en familieleden zal gezegd worden dat de andere ouder het kind tegen de verstotende ouder opzet.

Het kind wordt in de tijd dat het bij de verstotende ouder verblijft overladen met, soms subtiele, stellingen over die andere ouder, zodat het kind als boodschapper van de verstotende ouder wordt ingezet om de andere ouder te kwetsen en aan te zetten om niet op het kind zelf, maar op de boodschap van de verstotende ouder te reageren. Het kind dat thuiskomt met de boodschap ‘Ik haat je’ kan bij de andere ouder veel weerstand oproepen, terwijl het kind eigenlijk alleen maar af wil van de boodschappen die het van de andere ouder heeft meegekregen en gewoon wil kunnen spelen. De andere ouder reageert al snel op de, soms heftige, inhoud van de boodschappen, door te vragen wat er is of door zich te verdedigen tegenover het kind. Er ontstaat spanning tussen de andere ouder en het kind en de bron van de boodschap verdwijnt uit beeld.

De verstotende ouder: ‘Ik mis je zo, ik mis je zo. Mis je mij ook? Als jij er niet bent, kan ik net zo goed dood zijn’.

In het bijzijn van derden, bijvoorbeeld op het schoolplein, houdt de verstotende ouder het kind op de arm, ook als het al lang kan lopen. Dit is niet fijn voor het kind. Het houdt het kind net zo lang vast, totdat iedereen heeft gezien hoe gehecht het kind is aan de verstotende ouder.

Een ouder houdt het kind strak bij de hand en geeft het, bijvoorbeeld op het schoolplein, geen vrije toegang tot de andere ouder. Het kind is loyaal, maar ervaart ook schuld naar de andere ouder.

In het bijzijn van derden zal de verstotende ouder tussen het kind en de andere ouder in gaan staan en ‘subtiel’ de andere ouder de rug toe keren en de volle aandacht geven aan het kind. Derden nemen een liefdevolle band tussen de verstotende ouder en het kind waar. En een minder intieme band tussen het kind en de andere ouder.

Wat zijn de ervaringen van dit kind bij scheiding?

Na de scheiding heeft het kind twee huizen.

Voor de afwikkeling van de scheiding zullen de andere ouder en de verstotende ouder afspraken moeten maken over de zorgregeling voor het kind, de verdeling van vermogen en de partner- en kinderalimentatie onderwerpen die met elkaar verbonden zijn en waarin de definitieve zorgregeling medebepalend kan zijn. Zeker als een scheiding moeizaam verloopt, komen er professionals of andere derde partijen in beeld die veel invloed op het kind kunnen uitoefenen.

De aanwezigheid van een ouder die wél verbinding maakt met de authentieke behoeftes van het kind en weet aan te sluiten bij wat het zelf nodig heeft, is voor de verbinding van het kind met zichzelf en zijn of haar gezonde ontwikkeling van groot belang. De andere ouder kan voor het kind die rol blijven vervullen. Tegelijkertijd is bij oudervervreemding juist deze beschermende ouder doelwit van de verstotende ouder, van de boodschappen van de verstotende ouder via het kind en van derden die de manipulaties van de verstotende ouder niet herkennen. Deze ouder zal zichzelf willen verdedigen tegen onterechte aanvallen om zo de rust voor het kind te kunnen herstellen en kan emotioneel reageren als de pogingen daartoe eerder averechts lijken te werken.

Het kind krijgt te horen dat de beschermende ouder voor de emotionele veiligheid van het kind minder beschikbaar is. Met deze verwarring (het kind ervaart namelijk iets anders dan wat wordt gezegd!) plus een charmeoffensief van de verstotende ouder wordt vertrouwen in de beschermende ouder geschaad (hechtingsbreuk) en kan het kind zich nog meer gaan richten op de verstotende ouder.

Het contact met professionals kan voor het kind verwarrend of onveilig zijn.

Het kind krijgt van professionals de boodschap:

Je ouders moeten dit met elkaar regelen

Je hebt last van de scheiding

Jij krijgt hulp als je ouders het hebben opgelost

Dit gebeurt ook als het kind ervaringen heeft met geweld en kindermishandeling of in verwarring is gebracht over wat het zelf voelt en vindt.

Het kind merkt bijvoorbeeld:

  • Ik mag naar een speltherapeut, maar die zegt ook dat ik last heb van de scheiding. En als ze het wel snapt, dan kan ze niet zo veel voor mij doen (Meldcode Kindermishandeling).

  • Hij of zij zegt dat ik last heb van de ruzies tussen mijn ouders, en dat papa en mama mij niet willen delen en allebei evenveel schuld hebben (verwarring – vertrouwen in de beschermende ouder wordt geschaad door hulpverlening!).

  • Als ik iets vertel over wat ik met mijn verstotende en/of gewelddadige ouder of in het gezin heb meegemaakt of meemaak dan wordt mijn andere ouder ervan beschuldigd dat die mij opzet tegen mijn verstotende ouder. Ik voel me daar niet veilig, maar kan beter mijn mond houden anders raak ik mijn andere ouder kwijt.

  • Als ik iets vertel dan weet iedereen dat, ook mijn verstotende en/of gewelddadige ouder en die gaat dan lelijk doen tegen mij. Ik kan beter mijn mond houden (emotioneel onveilig).

  • Mijn verstotende ouder doet net alsof ik volwassen ben en vertelt mij alles over rechtszaken en zo. Als er een rechtszaak aan komt of dat ik met iemand moet praten, merk ik dat gelijk. Ik mag niets zeggen en moet zeggen wat mijn verstotende ouder wil of nodig heeft dat ik zeg.

  • Als ik lief ben, krijg ik een hond (om het kind te verleiden en de professional te overtuigen van empathisch ouderschap).

  • Ik ben 12 jaar en ik heb een brief gekregen van de rechter en die zegt dat hij of zij het belangrijk vindt om naar mij te luisteren. Hij of zij luistert niet, maar meestal mag ik er sowieso niet heen; wel als ik alleen zeg wat mijn vervreemdende ouder wil dat ik zeg en dan word ik eerst overhoord (kind wordt niet gezien/gehoord in behoeften).

  • Mijn andere ouder is heel vaak moe en boos op iedereen en ook op mijn verstotende ouder.

Als ouderverstoting een feit is: Het verloren kind

Bij oudervervreemding zet een verstotende ouder de andere ouder ertoe aan om op de verstotende ouder te reageren en op deze ouder gericht te blijven en zo de verbinding met het kind los te laten. Als ouders uit elkaar gaan, zullen zij er door derden vooraleerst toe aangezet worden om gezamenlijk gesprekken te voeren. Het kind merkt dan dat de ouder waar het veiliger aan gehecht is  minder (emotioneel) voor het kind beschikbaar kan zijn. Maar terwijl de ouders voor het kind met elkaar tot afspraken moeten komen, wordt het kind door de verstotende ouder verder in de war gebracht zodat het in vertwijfeling raakt over de eigen mening en eveneens gericht kan raken op de verstotende ouder. Het kind merkt dat het onder druk, soms onder dreiging van repercussies of juist doordat het wordt beloond, naar derden moet zeggen wat de verstotende ouder wil dat het kind zegt. Het kind wordt ook geïsoleerd van hulp en/of de verstotende ouder wenst aanwezig te zijn bij een kind-gesprek met derden. Er wordt een voortdurend appel gedaan op het kind om de eigen identiteit en mening op te geven en om (in de verwarring) te geloven in wat de verstotende ouder doet en zegt en dit aan te nemen alsof het de mening van het kind zelf is. Naarmate dit langer duurt, raakt het kind steeds verder van zichzelf vervreemd en zal het kind uiteindelijk het gedrag en de communicatie van de verstotende ouder kopiëren en volledig beschikbaar zijn voor de verstotende ouder. Wat het kind ‘wil’ is dan direct verbonden met wat de verstotende ouder wil.

Ouderverstoting is dan een feit.

De mate waarin het kind in oorsprong een stevige basis van hechting heeft met de andere ouder en deze ouder bij scheiding beschikbaar mag en kan blijven voor het kind, bepaalt mede in hoeverre het kind volledig onthecht zal raken van zichzelf en zijn of haar (beschermende) ouder.

Het verloren kind:

  • Is gestimuleerd om onwaarheden of niet gebeurde voorvallen te vertellen aan derden om de vrede met de verstotende ouder te bewaren (en emotioneel veilig te zijn in deze relatie).

  • Kan bang zijn gemaakt voor de ‘afwezige’ ouder, terwijl het nooit bang is geweest voor die ouder.

  • Kan volledig in paniek raken als het de andere ouder onverwachts tegenkomt.

  • Kan als het zelf allang volwassen is en zelf kinderen heeft, de andere ouder als grootouder dreigen met een aangifte van stalking als die nog contact zoekt met de eigen kleinkinderen.

  • Is afgesloten van (de helft) van de eigen oorsprong en zijn of haar geschiedenis uit voorgaande generaties.

We zien kinderen die na de omgang niet worden teruggebracht; waar de andere ouder dan een aantal weken geen toegang heeft tot het kind en de verstotende ouder in die periode namens het kind spreekt; het kind dat dan na een aantal weken zegt wat de verstotende ouder zegt.

We zien kinderen die drie weken een fijne vakantie hebben met de andere ouder en dan drie weken naar de verstotende ouder toe gaan; waar vervolgens de verstotende ouder namens het kind aangeeft dat het niet meer naar die andere ouder toe wil, het kind bij zich houdt en de verdere toegang tot het kind wordt geblokkeerd.

We zien dat hulp en recht in zulke gevallen pogingen doen om het kind toegang te geven tot de andere ouder door begeleide omgangsmomenten te organiseren met deze ouder. Voor het kind zelf wordt daarmee bevestigd dat het contact met de beschermende ouder niet veilig is, wat de verstotende ouder het kind ook voorhoudt en wat dus een averechts effect heeft.

We zien dat de verantwoordelijkheid steeds wordt terugverwezen naar de beide ouders en dat de vervreemding veelal niet wordt doorbroken. Als dan na lange tijd de ‘wil’ van het kind wordt gevolgd, is de neiging om het kind aan een verstotende ouder toe te wijzen en de inzet van professionele hulp of een OTS (ondertoezichtstelling) daarmee te beëindigen. De toegang van het kind tot zijn of haar (beschermende) ouder is dan definitief geblokkeerd.

Hulp en recht hebben een plicht om te allen tijde voor het kind de toegang tot allebei de ouders te waarborgen en ouders te steunen in het recht om het eigen minderjarige kind op te voeden. Omdat oudervervreemding ingrijpt op de persoonlijke ontwikkeling van het kind en tijd een belangrijke rol speelt, is vroeg-signalering op grond van het feitelijke gedrag van iedere ouder apart van uitermate groot belang, en evenzeer het zo spoedig mogelijk begrenzen van (onwenselijk gedrag van) de verstotende ouder; eventueel door middel van (tijdelijk) begeleid contact met die ouder. Het kind zal uiteindelijk de eigen relaties moeten kunnen vormgeven.